Hendrik Jan van der Heiden: Op een zaterdag 8 augustus in deze zomer ging ik eens met de fiets van Apeldoorn door het bos naar de Boekenmarkt in Elspeet. Mijn plan was om theologische lectuur aan te schaffen, maar daar kwam niet van. Hier ontmoette ik de uiterst sympathieke organist Jos Moeke. Hij had een eigen verkoopkraam met zijn bladmuziek, gedegen koraalmuziek van eigen deskundige hand, bladmuziek van zijn orgelleermeester Herman van Vliet, en bladmuziek van Wim van der Panne, een talentvolle leerling van de grote naam in de Nederlandse orgelwereld, niemand minder dan Feike Asma, en ook zijn cd’s zijn te koop.
En met deze Romantische organisten zet organist Jos Moeke de toon. Dit is zijn orgelwereld. Het grote romantische gebaar. Jos is heel goed opgeleid om orgel te spelen. Hij behaalde in 2003 zijn orgeldiploma aan het conservatorium in Utrecht onder Jan Raas. Daarna volgde hij masterclasses bij de grote Franse organist Jean Guillou en Sophie-Veronique Cauchefer-Choplin. De voorkeur bij Jos ligt in de Romantische orgelmuziek, die uit Duitsland en vooral Frankrijk.
Twee cd’s van Jos Moeke
Voor twee cd’s van Jos Moeke heb ik even de tijd genomen om te luisteren en te analyseren wat Jos muzikaal wil vertellen. Het gaat om de cd op het orgel van de Grote Kerk te Hasselt en de cd die is opgenomen op het orgel van zijn leermeester Herman van Vliet, uit de St. Joriskerk te Amersfoort.
Eerst de Romantiek in de ruimte van Hasselt. Er zijn orgels die hun muziek bijna vanzelfsprekend aan de luisteraar opdringen. En er zijn organisten die eerst naar het instrument luisteren voordat zij het laten spreken. In Hasselt, onder de hoge gewelven van de Grote of Stephanuskerk, ontmoeten beide elkaar: het karakteristieke Rudolph Knol-orgel en Jos Moeke, die zich hier als een begaafd en gedegen vertolker van de romantische orgelliteratuur laat horen. Het programma is een kleine wandeling door de Duitse en Franse en Italiaanse romantiek, met muziek die soms zingt, soms danst en soms als een storm door de kerk trekt. De organist Jos Moeke speelt in Hasselt eigenlijk een muzikaal procedé zoals Herman van Vliet en Klaas Jan Mulder dat ook deden. Hij wil dat vooral ook doen: literaire stukken uit de Romantiek, maar ook gedegen koraalbewerking ook in Romantische sfeer. Jos Moeke speelt het op een toegankelijke wijze: voor een breed publiek!
Wie schön leucht’t uns der Morgenstern
Wanneer Jos Moeke de grote koraalfantasie over Wie schön leucht’t uns der Morgenstern, opus 40 nr. 1 van Max Reger, inzet op het orgel van de Grote of Stephanuskerk in Hasselt, lijkt de ruimte zelf even mee te gaan ademen. Reger schreef deze fantasie in 1899, een werk waarin het oude koraal steeds opnieuw van gedaante verandert: nu eens helder en jubelend, dan weer ernstig en zoekend.
Moeke weet daarbij iets bijzonders te bereiken. Het Knol-orgel in Hasselt is geen groot symfonisch Reger-orgel, maar juist een typisch Hollands instrument. En misschien is dat wel de charme. De klank blijft menselijk en herkenbaar, terwijl Reger alle ruimte krijgt om zijn rijke, soms overweldigende gedachten uit te spreken. In de opname van Moeke duurt de fantasie ruim achttien minuten en vormt zij het muzikale hart van zijn cd uit Hasselt.
Hij speelt beheerst, helder en zonder onnodige bravoure
Wat vooral opvalt, is dat Moeke Reger niet probeert te overbluffen. Hij speelt beheerst, helder en zonder onnodige bravoure. Het orgel mag zingen, maar wordt nergens tot een kolos gemaakt. Daardoor komt juist de kern van het werk dichtbij: het oude lied over de Morgenster die licht brengt in de duisternis. Jos Moekes Reger is zowel nuchter en beheerst, maar ook begeistert, met het orgel in verrassend andere klankkleuren dan men er gewoonlijk van hoort.
Zo ontstaat er in Hasselt een mooie ontmoeting tussen drie stemmen: de eeuwenoude koraalmelodie, de diepzinnige verbeelding van Reger en de persoonlijke muzikaliteit van Jos Moeke. De Morgenster hoeft daarbij niet luid te stralen. Soms is het genoeg dat er, midden in de donkere klanken, ineens een glimp van licht hoorbaar wordt. En wie zo’n grote koraalfantasie van Reger speelt, kan gewoon heel goed orgelspelen. Dat staat buiten kijf en is geen discussie over mogelijk!
Fileuse
Moeke speelt een technisch moeilijk stuk Fileuse (Spinster), opus 21 van Marcel Dupré. Dupré was niet alleen een van de grote Franse organisten van de twintigste eeuw, maar ook een fenomenaal improvisator en pedalenvirtuoos. In Fileuse lijkt men de handen van een spinster bijna voor zich te zien: voortdurend in beweging, lichtvoetig en onvermoeibaar. De muziek draait, glinstert en wentelt zich voort. Het is virtuoze muziek, maar bij Moeke wordt virtuositeit geen doel op zichzelf. De snelle figuren blijven helder en de muziek behoudt haar elegante lijn. Juist daarin toont zich vakmanschap: snelheid krijgt betekenis doordat zij muzikaal wordt gestuurd.
Daarna komt Charles-Marie Widor, de grootmeester van de Franse orgelsymfonie. Zijn Pastorale en Finale uit de Tweede Symfonie vormen samen bijna een kleine wereld op zichzelf. De Pastorale ademt rust en verfijning; zij heeft iets van een landschap waarin het licht langzaam verandert. Maar Widor was evenzeer de componist van beweging en grandeur. In het Finale wordt de organist geconfronteerd met een heel andere kant van het instrument: ritmische kracht, brede lijnen en een steeds verder groeiende spanning.
Degelijk orgelspel
Hier krijgt Jos Moeke alle gelegenheid om te laten horen dat degelijk orgelspel heel iets anders is dan voorzichtig orgelspel. Hij durft het orgel te laten spreken. De muziek krijgt vaart waar dat nodig is, breedte waar zij daarom vraagt en ontspanning waar de spanning even mag wijken. Het is vooral de beheersing die indruk maakt. Moeke hoeft de muziek niet groter te maken dan zij al is. Hij vertrouwt op Widor.
Dat vertrouwen klinkt ook in het Scherzo opus 49 nr. 2 van Marco Enrico Bossi. Bossi, een belangrijke Italiaanse vertegenwoordiger van de romantische orgelcultuur, schreef muziek waarin lyriek en virtuositeit elkaar voortdurend raken. Zijn Scherzo is beweeglijk, geestig en lichtvoetig, maar onder die elegantie schuilt een behoorlijke technische uitdaging. Het stuk vraagt om souplesse en precisie. Bij Moeke klinkt het niet als een vingeroefening, maar als een karakterstuk: levendig, sprankelend en met een vanzelfsprekende beheersing.
Alexandre Guilmant
En dan is er Alexandre Guilmant, een van de grote namen van de Franse orgelromantiek. Zijn Mélodie opus 17 brengt een heel andere sfeer. Waar Dupré de vingers laat vonken en Widor de ruimte opent, laat Guilmant de melodie zingen. Het is muziek die niet hoeft te imponeren om te ontroeren. Juist hier laat Jos Moeke horen dat hij ook kan ademen met de muziek. Moeke doet dat met gevoel voor lijn en klank. De melodie krijgt ruimte en de romantische expressie blijft warm zonder sentimenteel te worden.
Wat deze Hasseltse uitvoering uiteindelijk zo geslaagd maakt, is dat Jos Moeke zich nergens tussen de componist en de luisteraar dringt. Hij speelt de muziek niet om zichzelf als virtuoos te etaleren, hoewel hij technisch duidelijk over de middelen beschikt. Hij gebruikt zijn virtuositeit om de muziek te dienen. Dat is misschien wel de moeilijkste vorm van meesterschap.
Het Knol-orgel in Hasselt
Het Knol-orgel in Hasselt is daarbij een bijzondere partner. Het instrument is geen negentiende-eeuws Frans symfonisch orgel, maar een karaktervol Hollands instrument met een geheel eigen stem. Juist daarom is het interessant om er Dupré, Widor, Bossi en Guilmant op te horen. Moeke probeert het Hasseltse orgel niet te laten doorgaan voor iets wat het niet is. Hij zoekt binnen de mogelijkheden van het instrument naar kleuren, contrasten en expressie. Een eerdere bespreking van zijn Hasselt-opname merkte dan ook op dat hij het orgel met beheersing en zonder veel bravoure laat klinken en het daarmee in verrassend andere klankkleuren toont.
En misschien is dat de mooiste kwaliteit van deze muziekuitvoering: er is niets geforceerds aan. De romantiek komt niet uit een doos met effecten, maar groeit uit de muziek zelf. De spinster van Dupré beweegt haar handen, Widor opent zijn brede muzikale landschap, Bossi laat zijn Scherzo dansen en Guilmant laat tenslotte de melodie zingen. En daarin is Jos Moeke geslaagd.
Een sympathieke organist
Niet als iemand die de muziek overschreeuwt, maar als een sympathieke organist die haar kent, beheerst en vertrouwt. Virtuoos wanneer het moet, lyrisch wanneer het kan, degelijk van fundament en steeds muzikaal in zijn keuzes. In Hasselt laat Moeke horen dat goed orgelspelen uiteindelijk niet gaat over hoeveel noten een organist kan spelen, maar over wat hij met die noten weet te zeggen. Zijn muzikale verhaal is mooi! Dat is een vorm van meesterschap die zich niet hoeft op te dringen. Zij klinkt vanzelf.
Er zijn organisten die een programma afwerken en er zijn organisten die een orgel tot leven weten te wekken. Jos Moeke behoort tot die laatste categorie. In de Joriskerk van Amersfoort ontvouwt hij een programma dat op het eerste gezicht bijna te veel werelden tegelijk lijkt te bevatten: psalmen en koraalfantasieën, Bach en Festing, Rinck en Saint-Saëns, Lefébure-Wély en Wolstenholme, Jan Mulder en Herman van Vliet. Toch ontstaat er onder Moekes handen geen verzameling losse stukken, maar een panorama van de orgelcultuur: van barokke contrapuntiek tot romantische lyriek, van virtuoze bravoure tot verstilde melodie, van kerkelijke ernst tot feestelijke uitbundigheid. En steeds is daar dat ene verbindende element: het orgel zelf.
Hoort gij die stemme
Moeke begint met Psalm 108 en Hoort gij die stemme van Klaas Jan Mulder. Dat is onmiddellijk raak. Mulder kende als weinig anderen het geheim van de Nederlandse orgeltraditie: muziek die helder is van structuur, maar tegelijk direct tot het gemoed spreekt. Zijn koraalbewerkingen zijn geworteld in de eredienst, maar hebben ook een uitgesproken concertante kwaliteit. Bij Moeke krijgen zij precies de juiste sfeer. Hij speelt niet alsof hij een monument wil oprichten voor de componist, maar alsof hij begrijpt waar deze muziek vandaan komt: uit de kerk, uit het lied, uit de gemeenschap van zangers en luisteraars. Dat is een belangrijk uitgangspunt voor het hele programma. Moeke heeft gevoel voor stijl, maar hij heeft ook gevoel voor plaats.
Michael Christian Festing
Daarna wordt het venster geopend naar de achttiende eeuw met de Sonate in E van Michael Christian Festing. Festing, vooral bekend als violist en componist in het Engelse muziekleven, vertegenwoordigt een wereld waarin elegantie, helderheid en melodische beweeglijkheid centraal staan. Zijn muziek heeft iets aristocratisch zonder afstandelijk te worden. Op het orgel vraagt dat om een lichte toets en gevoel voor proportie. Moeke geeft het werk ruimte om te ademen. Hij maakt er geen zwaar romantisch orgelstuk van, maar bewaart de transparantie van de stijl.
Bach
En dan ineens: Bach. De Fuga-gigue in G, BWV 577 is een van die stukken waarin Johann Sebastian Bach zijn contrapunt bijna speels laat worden. De fuga heeft de ernst van het contrapunt, maar de vorm van een dans. De gigue, van oorsprong een levendige dansvorm, brengt beweging in de stemmen. Het wonderlijke van Bach is dat intellect en lichamelijkheid hier samengaan: je kunt de constructie bewonderen en tegelijkertijd het plezier van de muziek voelen. Jos Moeke speelt trefzeker. Geen overbodige dramatiek, geen opgeblazen Bach, maar ritmische helderheid en een vanzelfsprekende controle over het stemmenweefsel. Dat is precies wat Bach nodig heeft. De fuga moet niet worden uitgelegd; zij moet lopen.
Bijna paradijselijk
Ook de aria “Sheep may safely graze” uit BWV 208 van Bach klinkt in een orgelbewerking. Wie de oorspronkelijke cantate kent, hoort onmiddellijk hoe bijzonder deze muziek is. In de cantate is het een pastorale aria: kalm, zacht en bijna paradijselijk. De herders en hun schapen zijn veilig onder de bescherming van een goede vorst. De muziek ademt rust. Op het orgel kan zo’n aria gemakkelijk te zwaar worden. Moeke voorkomt dat. Hij speelt de transcriptie met trefzekerheid en vooral met gevoel voor de zanglijn. Dat is misschien nog belangrijker dan de vraag wie de transcriptie precies heeft vervaardigd: de melodie blijft zingen. Bach klinkt hier niet als een componist die toevallig op een orgel terecht is gekomen, maar als een componist wiens muziek zich ook zonder menselijke stem een vocale ademhaling kan veroorloven.
Christian Heinrich Rinck
Daarmee komen we bij Christian Heinrich Rinck, en bij zijn Thema met variaties over Ik zag Cecilia komen. Hier laat Moeke misschien wel het duidelijkst horen hoezeer hij een deskundige organist is. Variatiekunst vraagt immers niet alleen techniek, maar ook verbeelding. Iedere variatie moet iets nieuws laten horen zonder het oorspronkelijke thema uit het oog te verliezen.
Een bijna architectonische helderheid
Moeke doet dat met registraties die het orgel steeds opnieuw een ander gezicht geven. Hier een ranke en lichte klank, daar een voller en warmer kleurenpalet. Het instrument wordt als het ware geschilderd met registers. Juist daardoor komt het orgel van de Joriskerk goed tot zijn recht. Rincks muziek krijgt onder Moekes handen een bijna architectonische helderheid: variatie na variatie wordt een nieuwe kamer in hetzelfde gebouw. En dan komt het slot van het werk. De pedaalpartij zet het orgel aan het donderen. Dat is geen goedkoop effect. Het is de logische bekroning van een ontwikkeling. Wat aanvankelijk licht en overzichtelijk begon, krijgt uiteindelijk gewicht en grandeur. Dat Moeke dit overtuigend weet te realiseren, zegt veel over zijn pedaaltechniek én over zijn gevoel voor opbouw. Knap gedaan!
William Wolstenholme
Na Rinck volgt William Wolstenholme, met het lichte Allegretto, opus 17 nr. 2. Wolstenholme was een Engelse organist-componist uit de romantische traditie en schreef muziek die vaak onmiddellijk aanspreekt door haar melodische charme. Het Allegretto vraagt niet om monumentale gebaren, maar om elegantie. Moeke laat hier opnieuw een andere kant van zijn spel horen. De muziek blijft licht op de voeten en behoudt haar vriendelijke karakter.
Daarna verandert de atmosfeer opnieuw met Le Cygne van Camille Saint-Saëns. Het beroemde Zwanenlied uit Le Carnaval des animaux is oorspronkelijk geschreven voor cello en twee piano’s. Het is muziek van verstilde schoonheid: de lange melodische lijn lijkt over het water te glijden. Op het orgel ligt het gevaar van een te brede, te zware sentimentaliteit op de loer. Moeke kiest gelukkig voor terughoudendheid. Hij laat de melodie zingen en begrijpt dat schoonheid soms juist ontstaat doordat men haar niet probeert te vergroten.
Louis-James-Alfred Lefébure-Wély
De Franse orgelromantiek krijgt vervolgens een ander gezicht in de Sortie in Es van Louis-James-Alfred Lefébure-Wély. Waar Saint-Saëns verfijning en lyriek brengt, zoekt Lefébure-Wély het effect, de schittering en de feestelijke beweging. Hij was verbonden aan de Parijse orgelwereld en schreef muziek waarin het orgel ook als theaterinstrument kon optreden. Een Sortie is immers muziek die de kerk uitgeleidt: feestelijk, beweeglijk, vaak virtuoos.
Jos Moeke voelt die theatrale kant goed aan. Hij hoeft zich niet te verontschuldigen voor het plezier van het orgel. Hier mag het instrument glanzen.
Léon Boëllmann
Dat geldt eveneens voor de Toccata van Boëllmann. Léon Boëllmann is een van die componisten die de Franse romantische orgeltraditie een eigen elegantie gaven. Een toccata vraagt directheid: motoriek, precisie, ritmische energie. Het is muziek waarin een organist zich technisch kan bewijzen, maar ook hier geldt dat techniek pas interessant wordt wanneer zij muzikaal wordt georganiseerd. Bij Jos Moeke klinkt de virtuositeit niet nerveus. Zij staat in dienst van de voortgang.
Geprezen zij de Heer
Ook de muziek van Jan Mulder keert terug, onder meer met Geprezen zij de Heer. Daarmee wordt de verbinding met de Nederlandse kerkmuziek weer nadrukkelijk aangehaald. Mulder staat in een traditie waarin koraal, samenzang en orgelklank nauw met elkaar verbonden zijn. Moeke weet die muziek met overtuiging neer te zetten zonder haar te verzwaren.
De fantasie over psalm 150
De fantasie over psalm 150 van Rutger Mazijk vormt vervolgens een passende lofzang. De psalm zelf is een oproep tot musiceren: alles wat adem heeft, looft de Heer. Op een orgel is dat bijna een uitnodiging tot uitbundigheid. Mazijks bewerking sluit aan bij die feestelijke geest. Moeke laat de klank groeien tot een muzikale lofprijzing waarin het orgel niet alleen begeleidt, maar zelf als het ware zingt, jubelt en getuigt.
Herman van Vliet
En dan keert het programma terug naar een van zijn leermeesters: Herman van Vliet. Zijn Psalm 27 als dubbelcanon is een prachtig voorbeeld van hoe eenvoudige koraalmuziek een verfijnde compositorische behandeling kan krijgen. De canonische schrijfwijze vraagt precisie en concentratie. Stemmen moeten elkaar vinden, imiteren en aanvullen. Bij een dubbelcanon wordt dat muzikale weefsel nog complexer. Moeke houdt de lijnen helder en laat de constructie niet dichtslibben.
“Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere”
Het slotstuk is Fantasie: “Lof zij de Heer, de almachtige Koning der ere”. Daarmee lijkt het hele programma samen te komen. De melodie is bekend, de boodschap is helder, maar in de fantasievorm krijgt zij ruimte om uit te groeien tot iets groters. Registraties wisselen, stemmen komen en gaan, het koraal wordt omgeven door beweging en uiteindelijk krijgt de muziek haar volle glans. Het is een waardige afsluiting van een programma waarin Moeke heeft laten zien dat hij over een opmerkelijk breed muzikaal palet beschikt. Wat vooral blijft hangen, is niet één spectaculaire passage, niet één bijzonder registereffect en zelfs niet de virtuositeit op zichzelf. Het is de betrouwbaarheid waarmee Jos Moeke zich door al deze stijlen beweegt.
Het orgel laten fluisteren en laten donderen
Jos Moeke begrijpt dat Bach iets anders nodig heeft dan Saint-Saëns. Dat Festing iets anders vraagt dan Widor. Dat Rinck om registratieverbeelding vraagt, terwijl een koraalbewerking van Mulder vooral moet ademen vanuit de melodie. Hij kent de waarde van helder contrapunt, maar ook van een lange romantische melodielijn. Hij kan het orgel laten fluisteren en hij kan het laten donderen.
Daarmee toont Jos Moeke zich vooral als een deskundige organist, en als mens een uiterst toegankelijk en vriendelijke persoon. Deskundigheid is hoorbaar in de keuzes. Ook zijn eigen koraalbewerkingen getuigen van romantische degelijkheid. Gewoon goed!
Amersfoort
In Amersfoort kiest Jos Moeke overtuigend. Hij kent zijn instrument, kent zijn repertoire en weet beide bij elkaar te brengen. De Joriskerk wordt daarbij meer dan een plaats waar de muziek klinkt. Zij wordt een klankruimte waarin verschillende eeuwen elkaar ontmoeten.
Bach, Widor, Dupre, Reger, Festing, Rinck, Wolstenholme, Saint-Saëns, Lefébure-Wély, Boëllmann, Mulder, Mazijk en Van Vliet spreken ieder hun eigen taal. Maar uiteindelijk is het Jos Moeke die ervoor zorgt dat zij elkaar verstaan.
Moeke begrijpt wat het orgel te zeggen heeft
En wanneer aan het einde de pedaaltonen zwaar door de kerk trekken en Lof zij de Heer zijn volle glans krijgt, is duidelijk wat deze uitvoeringen zo overtuigend maakt: Moeke kan orgel spelen, maar belangrijker nog: hij begrijpt wat het orgel te zeggen heeft. Dat is precies wat ik als leerling van Klaas Jan Mulder wil horen. Herman van Vliet en Klaas Jan Mulder hadden diep respect voor elkaar. Zo heb ik als leerling van Mulder respect voor een leerling van Van Vliet. Zijn naam is Jos Moeke!
De cd-opnamen zijn gedegen opgenomen door Excellent Recordings! Waarvan Akte!
N.a.v. cd Jos Moeke vanuit de Grote Kerk te Hasselt & de cd Jos Moeke vanuit de St. Joriskerk te Amersfoort, opname Excellent Recordings.
Meer informatie: Jos Moeke
Auteur: Hendrik Jan van der Heiden
Foto: Jos Moeke

