De strijd tegen kinderarbeid begint niet in Den Haag, maar in het dorp

Wendy van Amerongen: In 2015 sprak de wereld een ambitieus doel uit: kinderarbeid moest in 2025 verdwenen zijn. Dat moment is inmiddels voorbij. De oplossing ligt eerder onder een boom dan in een conferentiezaal. Vandaag werken wereldwijd nog steeds 138 miljoen kinderen, onder wie 54 miljoen in gevaarlijk werk dat hun gezondheid en ontwikkeling schaadt. Om kinderarbeid echt uit te bannen, zou de vooruitgang elf keer sneller moeten gaan dan nu.

In internationale rapporten klinkt vaak dezelfde conclusie: we moeten sneller, harder en beter samenwerken. Maar na een week in dorpen in Noord-Benin drong zich bij mij een andere vraag op. Kijken we eigenlijk wel naar de juiste oplossingen?

Tijdens deze recente reis sprak ik met dorpsleiders, spaargroepen, politieagenten, gastgezinnen en jongeren die een vak leren. Samen vormen zij een lokaal netwerk dat kinderen beschermt tegen uitbuiting. Ik was daar met de Nederlandse organisatie Woord en Daad om deze zogenoemde commune-approach te onderzoeken, een aanpak die mede wordt ondersteund door de AFAS Foundation. In deze zogenoemde commune-approach werken dorpscomités, sociale diensten, gastgezinnen en lokale ondernemers samen om kinderen te beschermen tegen uitbuiting.

Boom

De strijd tegen kinderarbeid wordt zelden gewonnen in conferentiezalen. Het begint onder een boom. Onder een mangoboom in een dorp in Noord-Benin zit een groep mensen bij elkaar. Een dorpshoofd. Een vertegenwoordiger van een spaargroep. Een maatschappelijk werker. Een vrouw uit het dorp. En iemand van een lokale organisatie. Ze bespreken één simpele vraag: welk kind in dit dorp loopt risico?

Dit soort bijeenkomsten halen zelden internationale rapporten. Toch ligt hier vaak de kern van de strijd tegen kinderarbeid. In internationale conferenties wordt kinderarbeid meestal besproken in termen van wetgeving, monitoring en internationale standaarden. Dat is belangrijk. Maar wie tijd doorbrengt in dorpen waar kinderarbeid daadwerkelijk voorkomt, ziet een andere werkelijkheid. Kinderarbeid ontstaat zelden door een gebrek aan regels.
Het ontstaat wanneer bescherming rondom een kind ontbreekt.

Een dag eerder zat ik in een kleine kapperszaak in Tchaourou. Voor de spiegel zat Laurent, zeventien jaar oud. Hij maakte een tondeuse schoon.
Een paar jaar geleden zag zijn leven er heel anders uit. Zijn ouders waren gescheiden. Zijn vader sloeg hem regelmatig met elektriciteitsdraden. School was geen optie.
Vandaag bereidt hij zich voor op zijn vakexamen.
Niet omdat iemand een rapport schreef over kinderarbeid, maar omdat verschillende mensen in zijn omgeving ingrepen. Een vrouw uit het dorp meldde zijn situatie bij het dorpscomité. Het comité schakelde een de lokale organisatie Dedras in. Uiteindelijk kwam Laurent terecht bij Bénédicte, een kapster die al jaren jongeren opleidt.
“Ik leer ze eerst waarden,” vertelde ze. “Respect. Discipline. Hoe je met mensen omgaat.”

Netwerk

Het lijkt een klein verhaal. Maar het laat zien hoe bescherming rondom een kind werkt: als een netwerk van mensen die verantwoordelijkheid nemen.In Tchaourou bestaat zo’n netwerk. Dorpscomités signaleren ricico’s. Sociale werkers zoeken oplossingen. Soms is dat school. Soms een gastgezin. Soms een vakopleiding.

Vaak gebeurt dat zonder veel zichtbaarheid. Tijdens mijn reis sprak ik ook Nathan, een chauffeur die al dertien jaar werkt voor de organisatie Dedras. Hij rijdt collega’s naar dorpen waar problemen spelen. “Wat ik het mooiste vind,” zei hij met een glimlach, “is dat mensen vertrouwen hebben in Dedras.” Dat vertrouwen is cruciaal. Het is opgebouwd door jarenlange aanwezigheid, door lokale medewerkers die de taal spreken en de cultuur kennen, en door organisaties die onderdeel zijn van de gemeenschap.

Juist daar ligt een belangrijke les voor het internationale debat over kinderarbeid. De laatste jaren klinkt steeds vaker de roep om lokale organisaties meer ruimte te geven in ontwikkelingssamenwerking. Het begrip localisation is inmiddels een bekend woord in de sector. Tegelijkertijd worden internationale programma’s tegen kinderarbeid afgebouwd en staan ontwikkelingsbudgetten onder druk. Dat wringt.

Impact gemeenschap

Wie kinderarbeid serieus wil bestrijden, moet investeren in de systemen die kinderen daadwerkelijk beschermen: lokale netwerken van gemeenschappen, sociale diensten, scholen en organisaties die problemen vroeg signaleren.

Kinderarbeid is zelden een geïsoleerd probleem. Het is vaak een symptoom van iets anders: armoede, gebroken families, gebrek aan onderwijs, of het ontbreken van een vangnet.
Daarom werkt de aanpak alleen wanneer er een netwerk rondom een kind bestaat. Wanneer iemand het opmerkt als een kind niet meer naar school gaat. Wanneer iemand ingrijpt als een kind te zwaar werk doet. Wanneer iemand een alternatief biedt.

Onder een boom in Noord-Benin zag ik hoe zo’n systeem eruitziet. Daar zaten mensen bij elkaar om te bespreken welk kind hulp nodig had. Geen beleidskader, geen projectvoorstel. Gewoon een gemeenschap die besloot: dit kind laten we niet alleen.
Thuis hoor ik vergelijkbare gesprekken, al gaat het daar over een ander onderwerp. Mijn man werkt in de zorg. Ook in Nederland groeit de druk op systemen: een vergrijzende bevolking, meer zorgvraag en minder personeel.

Daarom zoeken gemeenten naar nieuwe manieren van samenleven. In inclusieve wijken moeten mensen langer zelfstandig kunnen wonen, met voorzieningen dichtbij en buren die naar elkaar omzien.
Daar valt lering uit te trekken. Of het nu gaat om de bescherming van kinderen in Benin of de zorg voor ouderen in Nederland: uiteindelijk werkt geen enkel systeem zonder gemeenschappen die verantwoordelijkheid nemen.

Wendy van Amerongen werkt in internationale ontwikkelingssamenwerking en bezocht recent met ontwikkelingsorganisatie Woord en Daad dorpen in Noord-Benin waar lokale organisaties werken aan het voorkómen van kinderarbeid.

Auteur: Wendy van Amerongen
Foto’s: © Woord en Daad
Web: www.woordendaad.nl

Christelijk Nieuws
ChristelijkNieuws.nl maakt gebruik van cookies