André Flach: Gezin als kloppend hart van de samenleving

Op maandag 22 juni sprak André Flach de Schaepmanlezing uit. Lees hieronder zijn bijdrage.

Dames en heren, dank voor de eer om hier vandaag te mogen zijn. Met enige schroom spreek ik na twee Roomse redenaars als protestant deze derde Schaepmanlezing uit. Ik heb het me afgevraagd: waarom een calvinist vragen voor een rede die vernoemd is naar een Rooms-Katholieke politicus. En op het gevaar af dat ik mijzelf op voorhand onnodig in diskrediet breng: Schaepman, die in zijn leven geregeld in conflict was met calvinisten, ligt begraven in Rome, terwijl de oprichter van mijn partij dominee Kersten het gezantschap bij de Paus in Rome ten grave droeg. Ruim 100 jaar geleden struikelde hier zelfs het kabinet Colijn over in de Nacht van Kersten. Hij diende een amendement in om de begrotingspost voor het gezantschap bij de paus te schrappen. Nadat het amendement was aangenomen, stapten de katholieke ministers uit het kabinet Colijn.

Anno 2026 zijn de theologische verschillen onverminderd groot (afhankelijk overigens vanuit welk kerkgenootschap je het bekijkt), maar zijn de onderlinge verhoudingen fors verbeterd. Denk aan het ontstaan van het CDA, maar ook de zeer gewaardeerde uitnodiging om hier te spreken is daar een levend bewijs van. Het is zelfs zo dat steeds meer katholieken op de SGP stemmen. Een signaal dat de fronten waartegen politiek gestreden wordt, fors zijn verschoven. 
Wie trouwens dieper spit in de nationale historie ontdekt veel meer raakvlakken, die laten zien hoe je samen aan gemeenschappen kunt bouwen: Schaepman was nauw betrokken bij het eerste Coalitiekabinet van Rooms-Katholieken en protestanten in 1888, het kabinet-Mackay. Hij werkte samen met protestantse voormannen zoals Kuyper en De Savorin Lohman, met wie SGP’ers zich verwant kunnen voelen.

Niet alleen is de Pacificatie van 1889 over het onderwijs altijd een ondergeschoven kindje geweest bij die van 1917, ook de cruciale rol van Schaepman in de aanloop hiernaartoe is ten onrechte uit beeld gebleven. Schaepman diende in 1886 een initiatiefwet in om het onderwijsartikel in de Grondwet aan te vullen. Uit zijn opstelling bleek welke twee lijnen voor hem belangrijk waren, die ook de SGP-calvinisten na aan het hart liggen en die nog steeds fundamenteel zijn voor het bouwen aan gemeenschappen:

  • Inzet voor klassieke vrijheden, in dit geval het recht van ouders om onderwijs te verzorgen in lijn met hun overtuiging;
  • Inzet voor rechten van armen, bedeelden en onvermogenden om op gelijke voet rechten te kunnen uitoefenen.

Enerzijds heeft het bindmiddel van een gedeelde overtuiging een exclusieve werking, maar tegelijk heeft die overtuiging ook een inclusieve werking doordat sociale scheidslijnen worden overstegen en alle verschillende maatschappelijke geledingen, rijk en arm, in de gemeenschap op elkaar betrokken zijn en verantwoordelijkheid dragen voor elkaar. Hier hebben we eerste les uit de inzet van Schaepman dus meteen te pakken. 

Hoe liep het eigenlijk af met de wet van Schaepman? Zijn wet haalde het niet, maar het debat erover leidde wel tot de doorbraak in de impasse over kiesrecht en onderwijs. De liberalen en minister Heemskerk erkenden tijdens het debat over deze grondwetswijziging in 1887 dat subsidie aan het bijzonder onderwijs niet in strijd hoefde te zijn met de Grondwet. Het Coalitiekabinet dat na de verkiezingen ontstond, regelde meteen de subsidie voor het bijzonder onderwijs, op voorwaarde dat het aan wettelijke eisen van deugdelijkheid voldeed. De politieke strijd was hiermee in de basis al beslecht en de Pacificatie van 1917 was eigenlijk slechts de consequente uitwerking.

Een sprong in de tijd: kijken in de spiegel van Fortuyn
In 1889 en 1917 bloeide het gemeenschapsleven nog volop. En ook nog decennia daarna. Tot in de jaren 50 en 60 was geluk in de Nederlandse samenleving niet vanzelfsprekend, maar nog wel heel gewoon. Gewoon in die zin dat het geen glossy Instagrammable leven was met flitsende vakanties waar de zoektocht naar de vervulling van de innerlijke leegte vaak vanaf spat, maar veelal een stabiel arbeidersleven met vaste patronen binnen hechte gemeenschappen. We kunnen dat nu wegzetten als spruitjeslucht, bedompt en verveeld, maar zijn we met onze huidige samenleving dan echt beter af? Het rijke Roomse leven en protestantse parmantigheid zijn in hoge mate voltooid verleden tijd. Wat is ervoor in de plaats gekomen? Wat zien we als we nu kijken naar onze samenleving?

Misschien moest u er zelf onwillekeurig al aan denken, maar het thema van deze rede nodigt ons natuurlijk uit om het werk van Pim Fortuyn weer eens op te slaan. Hij beschreef onze samenleving 30 jaar geleden als een verweesde samenleving waarin de overdracht van een gezamenlijk waardenstelsel in allerlei verbanden haperde. Als basis van zijn analyse stelt Fortuyn het beeld van het gezin met een vader en moeder centraal, waarbij vader en moeder staan voor de rollen van normeren en beschermen. Hij was somber over de staat van de gemeenschap: “De emancipatie in het algemeen en de daarop geënte individualisering in het bijzonder heeft de positie van het gezin en die van vaders en moeders daarbinnen, op zorgwekkende wijze aangetast. Niet omdat emancipatie en individualisering daar automatisch toe moeten leiden. Verre van! Wel omdat we dit proces op een blinde, ongestuurde manier hebben laten verlopen.”

Mijn indruk is dat dit blinde, ongestuurde proces na zijn tijd met nog meer intensiteit is doorgezet, waarbij we er niet in zijn geslaagd vader- en moederrollen meer invulling te geven. De verwezing krijgt zelfs diepere dimensies. Echte genezing moet beginnen bij de diepe wortels van deze desolate situatie.

Van verwezing naar echte hechting
In mijn rede wil ik drie dingen doen:

  1. Ik schets de voortgaande verwezing
  2. Ik teken de staat als grote schijnvader
  3. Ik benoem gedachten voor gemeenschapsherstel

1. Voortgaande verwezing
Volgens de titel van een recent boek is Nederland een therapieland geworden. En dit boek is bepaald niet het enige waarin we kunnen lezen over het ontstaan van een therapiecultuur. Vele -peuten, -logen en -gogen vertellen in allerlei tinten dat de Nederlandse samenleving is verworden tot een verzameling individuen jagend naar eigen succes en momenten van persoonlijke faam of instant geluk.

Individuen die door de overheid beoordeeld worden op hun economische bijdrage en gestimuleerd worden om zoveel mogelijk van zichzelf op het economisch altaar te offeren. Met een bijna perfecte aan marketing grenzende doctrine is betaald werk synoniem geworden met ultieme zelfontplooiing. De inflatie van die toegenomen productiviteit is zichtbaar op de woningmarkt. Met twee volle salarissen koop je de tussenwoning die 30 jaar geleden door een kostwinner kon worden betaald. Onze tijd is de valuta waarmee we onze status betalen.

Burnouts, depressies, groeiende instroom in de GGZ en de exploderende jeugdzorg: steeds meer rode lampjes gaan knipperen op het samenlevingspaneel. De groeiende vraag naar zingeving en therapie vertelt ons dat de dwingende focus op individueel geluk bepaalt geen succesnummer is. Psychiater Paul Verhaeghe benoemt heel treffend dat de dominante aandoeningen in een bepaald tijdvak de dominante waarden van de samenleving weerspiegelen. Welke waarden kunnen wij dan nu distilleren uit de massale zorgvraag?

Om te beginnen, kan ik in deze Schaepmanrede een hartenkreet niet onderdrukken. Als we niet meer belijden dat heel onze wereld en het universum onder het gezag staan van God de Schepper die Zijn vaderlijke zorg heeft over deze aarde, maar dat ze een speeltje worden van een Amerikaanse biljonair met een kettingzaag, is er alle reden om een onrustig hart te hebben. En, vraag ik om dichterbij huis te blijven, toen God verdween uit Jorwerd, verdween toen ook niet de ziel uit veel gemeenschappen? De fysieke plekken van kerken en verenigingen lijden een zieltogend bestaan en verbinding functioneert vaak nog slechts op projectbasis. Zelfs het onderwijs is ten prooi geworden aan individuele indicatiestelling en vergeet de rol van een beschermende en normerende gemeenschap te vervullen, zoals de Onderwijsraad recent onder woorden bracht.

In de jaren waarin wij nu leven, verdiept de verwezing op een ingrijpend nieuwe manier. Allerlei natuurlijke ervaringsfeiten worden door de wetgever zonder al te veel aandacht fundamenteel aangetast. Ik herinner u aan het wetsvoorstel dat het woord moeder verving door ‘de ouder waaruit het kind geboren is’. Binnen de diversiteitscultus lijkt moederliefde bijna een vies woord. Een volgende stap zijn de ingrijpende wijzigingen van de embryowetgeving. Daarin is de gebruikelijke situatie waarin het kind op natuurlijke wijze in de moeder ontstaat, gelijkgeschakeld aan niet-natuurlijke embryo’s. Zeer fundamenteel is ook de ontwikkeling rond draagmoederschap, die internationaal worden gezien als keerpunt in de beschaving. Het kind wordt voorwerp van contract en de vrouw gereduceerd tot haar productieve functie, waarbij de scheiding tussen moeder en kind welbewust op voorhand welbewust wordt toegestaan. Waarom zo weinig protest hiertegen? Het is geen overdrijving als ik zeg dat de wetgever de kiemen van totale verwezing zaait als zij natuurlijke grenzen en ervaringsfeiten niet meer normerend erkent.

Evenals onze moreel-juridische persoonlijkheid verschrompelt intussen ons fysieke zelf door de digitale speeltjes van techreuzen. Ze lijken een sinterklaas, maar iedereen weet dat Sinterklaas geen echte kinderen heeft en in ieder geval geen tijd heeft om ons als vader te begeleiden in het gebruik van zijn cadeautjes. Onze spaarzame tijd brengen we dus collectief geketend aan een schermpje door. Onze sociale vaardigheden staan onder de verstikkende kaarsendover van de sociale media. Onze sociale media zijn vaak ‘een pakketje schroot met een dun laagje chroom’, zoals iemand ooit zong. De overheid heeft haar vaderlijke en moederlijke zorg lange tijd verwaarloosd en big techbedrijven hun gang laten gaan. Die bedrijven blijken niet te functioneren als een grote broer met vaderlijke zorg, maar als een big brother die onze vrijheid onder druk zet en een bom legt onder gezonde verhoudingen tussen generaties. Het gezag van opvoeders staat door de leefwereld van digitale inboorlingen onder sterke druk, terwijl zij eigenlijk snakken naar goede leiding. Het is daarom fascinerend dat partijen die wars waren van betutteling nu voorop lopen met het vragen om vaderlijke gestrengheid.

Verwezing heeft natuurlijk ook te maken met identiteit. Wie zijn we als samenleving en hoe ontwikkelen we ons? Steeds minder collectiefs bindt ons. Louter de drinkgelagen rond koningsdag en voetbalwedstrijden verbinden ons als rafelig klittenband.

Het is een feit dat de samenleving zowel multicultureler als identiteitslozer is geworden. Dat kunnen we niet ontkennen, maar daar moeten we op een volwassen manier bewust mee omgaan. Ik plaats van volwassenheid zie ik echter vooral puberale onverschilligheid of afzetterij. Er is een ongestuurd proces waarin andere krachten de overheid gebruiken om het stuur over te nemen. De massale immigratie werpt ons terug op onze interne leegte en dringt ons grimmig terug in een individueel isolement met de hang naar verdediging van wat ooit was of de omarming van culturele rijkdom als een vleug vakantienostalgie. Terwijl de islam steeds sterker de identiteit etaleert en opdringt, kwijnt de christelijke identiteit door laksheid of vrees voor het verwijt van spruitjes en hun zo karakteristieke geur. Al onze nationale trots die we op school mee kregen zijn brandhout geworden op een laaiend vuur van excuus, schaamte die grenst aan zelfverachting.

Als protestant kan ik de geest van het kapitalisme en de materiële wereld uiteraard niet ongenoemd laten. Er heerst een sterke financiële druk op individuele zelfredzaamheid en betaald werk. De overheid beoordeelt ons vooral op onze economische bijdrage en vraagt steeds meer offers op het economische altaar. Er zijn mooie beleidsbrieven over mantelzorg, maar bij de maatschappelijke kassa moet je ervoor bijbetalen. Betaald werk lijkt synoniem geworden met ultieme zelfontplooiing. We moeten ook steeds meer werken om een huis te kunnen kopen of om groter te verhuizen, om onze geliefden in die huizen vervolgens steeds minder tegen te komen. De inflatie van die toegenomen productiviteit is zichtbaar op de woningmarkt. Met twee volle salarissen koop je de tussenwoning die 30 jaar geleden door een kostwinner kon worden betaald.

Samenvattend: wie van een afstandje naar onze samenleving kijkt, kan het gevoel bekruipen dat je zit te kijken naar een groep tieners die een maand zonder hun ouders leven op een manier zoals ze zelf willen. Verweesd en kwetsbaar, schijnbaar gelukkig, maar in feite fundamenteel ontheemd en onzeker. 

2. De staat als grote schijnvader
Tegen de achtergrond van dit sombere beeld, lijkt er toch een groot lichtpunt. Er is een vader, de overheid, die zich steeds dominanter opdringt om verantwoordelijkheid te nemen voor het welzijn van burgers. Is dat geen verademing bij het wegvallen van zoveel opvoedende structuren? Wie echter de Franse denker De Tocqueville lees over de rol van de staat houdt de adem in: 
“Ik wil mij inbeelden met welke nieuwe trekken het despotisme zich in de wereld zou kunnen voordoen: ik zie een ontelbare massa eendere en gelijke mensen die voortdurend met zichzelf bezig zijn om zich kleine en platvloerse genoegens te verschaffen waarmee zij hun ziel vullen. […] Boven hen torent een immense en beschermende macht uit die zich als enige belast met de zorg voor hun genietingen en het toezicht op hun lot. Zij is absoluut, nauwkeurig, regelmatig, vooruitziend en zachtmoedig. Zij zou op het vaderlijk gezag lijken als zij, evenals dat gezag, tot taak zou hebben de mensen voor te bereiden op de volwassenheid, maar zij probeert juist niets anders te doen dan heb onherroepelijk in hun kindertijd vast te houden; zij ziet graag dat de burgers genieten, mits zij alleen maar aan hun genietingen denken.”

Er is niet veel fantasie nodig om te zien dat onze overheid meer trekken heeft van een curlingouder die risico’s en pijn uit de weg wil ruimen dan van de vader die op verantwoorde wijze toewerkt naar meer zelfstandigheid. De landelijke overheid worstelt met een tientje extra eigen risico, een kleine eigen bijdrage voor duizenden euro’s maatschappelijke zorg en een stijging van de accijnzen met tien of twintig cent. Het nationale koopkrachtinfuuus is het middel om onvrede te vermijden. Dat lijkt een warm bad voor burgers, maar in de praktijk verzwakt het vermogen van burgers om op eigen benen te staan en meer naar elkaar om te zien. Er is een funeste investeringslogica: de overheid steekt steeds meer geld in directe ondersteuning van burgers, terwijl zij weigert voldoende te investeren in lokale voorzieningen en voldoende gemeenschapsvoorzieningen te waarborgen. Hierdoor brokkelt de basis af en wordt de top loodzwaar.

De jeugdhulp is bij uitstek het domein waar we het eroderen van de kracht van gemeenschappen door overheidshandelen zien gebeuren. In tien jaar tijd is het aantal kinderen dat officieel hulp ontvangt, gestegen van 1 op 27 naar 1 op 7. Professionele, betaalde hulp krijgt hardnekkig voorrang boven het aanboren van de kracht van gemeenschappen en netwerken. En dat terwijl de bedoeling van de Jeugdwet in 2015 duidelijk was om pas hulp van de overheid in te zetten als burgers het zelf niet kunnen. Een nieuwe wet is in de maak, maar die zal alleen gaan werken als de overheid zichzelf actief aan de ketting legt. Dat de staat alle verantwoordelijkheid bij zichzelf wil houden, zoals Tocqueville beschrijft, bleek ook sprekend uit de manier waarop het eigen initiatief werd benaderd om de Grote Kolksluis in Zwartsluis te onderhouden. De gemeente was ontstemd dat Rijkswaterstaat zonder perspectief op renovatie de sluis sloot. Rijkswaterstaat kwam pas in actie toen burgers zelf de handen uit de mouwen staken. Niet door alsnog te sluis versneld te renoveren, maar door te dreigen met aangifte als burgers door zouden werken. Want de sluis is toch niet van Zwartsluis, maar van de overheid? De provincie trad meteen handhavend op. Als autoritaire vader sloeg de overheid met de vuist op tafel en doodde het particuliere initiatief. Ondanks het vele strooigoed blijkt de staat een schijnvader. De overheid kan de verwezing slechts keren door zichzelf kleiner te maken en de volwassenwording van burgers meer voor ogen te hebben.

3. Gedachten voor gemeenschapsherstel
We zullen naar mijn overtuiging actiever het debat moeten voeren hoe burgers daadwerkelijk zelf meer verantwoordelijkheid kunnen dragen. Daarbij kunnen we niet heen om meer risico’s, pijn en ongemak voor degenen die het dragen kunnen, terwijl we met Schaepman een open oog moeten hebben voor hen die arm en kwetsbaar zijn. Een onsje minder welvaart en een onsje meer welzijn zou onze samenleving al veel goed doen. De welvaart heeft ons veel gebracht, maar heeft ons ook verwend en verward. De mythe van onze Groninger gasbel als bewierookte zegen in de canon van onze geschiedenis is inmiddels doorgeprikt en we ervaren inmiddels iets van een vloek.

Waar begin het herstel? Ik loop drie niveaus langs: het microniveau van de lokale gemeenschap, het mmesoniveau van de landelijke overheid en het macroniveau van de grote techbedrijven. Volgens Pim Fortuyn moesten we als samenleving het debat aangaan hoe de wetsfunctie (vanouds de vader) en de zorgfunctie (vanouds de moeder) in gezinsverband vorm krijgen. Hij vatte dat pleidooi kort samen: “we zullen vader en moeder opnieuw moeten uitvinden.” “Een gemeenschap heeft […] een vader nodig die de wet stelt en een moeder om de kudde bij elkaar te houden.” Daarbij schreef hij ook iets ontroerends: “Wat wil een jongen, wat wil een meisje, een jonge man, een jonge vrouw, liever dan gekend te worden dan genoemd te worden bij zijn of haar naam, dan benaderd te worden met respect en met de blijdschap dat je er bent op deze wereld met al haar uitdagingen en gevaren?” We zullen actiever moet werken aan overzichtelijke gemeenschappen waarin die behoefte kan bloeien. Een gezonde ontwikkeling bestaat uit de elementen autonomie, geborgenheid en competitie. Als samenleving hebben voldoende focus op autonomie en competitie, maar zonder meer geborgenheid zullen we het niet redden.

We moeten beginnen waar gemeenschappen gewoonlijk alleen maar kunnen beginnen: de geboorte uit vader en moeder. Het gezin, de kleinste vorm van samenleving waar normen inslijten en ontwikkelen en waar je met vallen en opstaan in liefde kunt opgroeien tot een volwassen deelnemer aan de maatschappij. Dat ook in Nederland het geboortecijfer steeds verder wegzakt, is een zorgwekkende indicator van de staat van onze gemeenschappen. Wat daar ook precies achter schuilt, het heeft in ieder geval ook fundamenteel te maken met de vraag hoe overheid, media en samenleving over het gezin spreken – of zwijgen.

Veroorlooft u me een kleine illustratie. Progressieve politici doen alsof ze nooit bang zijn voor taboes. Toch hebben zij een taboe dat zo groot is als de samenleving zelf: het gezin. Ze wilden in de Tweede Kamer zelfs een rondetafelgesprek over gezinnen met erkende experts en maatschappelijke organisaties niet mogelijk maken en ze waren afwezig toen het toch georganiseerd werd, D66 uitgezonderd. Waarom toch? Is dit een volksvertegenwoordiging? Vraag het adviesorganen, jeugdzorgwerkers, leraren of ouders, iedereen weet dat een beter gezinsklimaat en -beleid hard nodig is. Als de politiek wegkijkt is het gezin het kind van de rekening.

Er lijkt sprake van een groot misverstand als het gaat om het respecteren van grondrechten en het stellen van normen. De heersende gedachte lijkt te zijn dat het erkennen van de gangbare situaties van vader, moeder en kinderen in strijd zou zijn met de rechten van anderen, of het nu gaat om het huwelijk, ouderschap, embryo’s of draagmoederschap. Dat is een wonderlijke gedachte. Waarom zouden we de betekenis van het natuurlijke verband van vader, moeder en kinderen verzwijgen terwijl het in alle eeuwen de basis is van samenlevingen over de hele wereld? We erkennen gewoon wat iedereen met zijn eigen ogen kan zien en wat de statistieken bevestigen en we laten daarnaast ruimte voor andere praktijken. Zo ging dat in de Republiek ook een beetje. Opvallend is echter dat de overheid niet alleen zwijgt, maar vanuit een ideologische kramp van de weeromstuit alleen de uitzonderingen op het schild hijst. Daarmee verheft ze de numerieke uitzondering tot norm en dat is niet ongevaarlijk.

Hoe we ook over de samenstelling van het gezin denken, laten we het familie- en gezinsleven in ieder geval als kloppend hart van onze samenleving duidelijk een plaats geven in de nationale politiek, te beginnen met onze Grondwet en een eigen departement. Nederland is een buitenbeentje in Europa door niets over het gezin te zeggen in onze hoogste nationale wet. Na tweeënhalf jaar ploeteren heb ik vorige week een motie aangenomen gekregen die de regering vraagt om positief gezinsbeleid in kaart te brengen. Ik hoop dat het een beginnetje is.

Ook als het gaat om de bredere, lokale gemeenschap rond gezinnen is er werk aan de winkel. Den Haag laat actief toe dat steeds meer gaten vallen in het weefsel van lokale gemeenschappen. Dat gebeurt met prachtige redeneringen over kwaliteit, efficiëntie en schaalvoordelen, maar ze maskeren dat hier politieke afwegingen aan de orde zijn waarin burgers een stem horen te hebben. Mag de lokale gemeenschap ook vinden dat zij met hogere kosten of minder kwaliteit toch beter af is met nabije voorzieningen of past dat niet in het bestuurlijke plaatje? De landelijke overheid doet nu te weinig recht aan de verlieservaringen die burgers oplopen als de huisarts op grotere afstand komt, het gemeentehuis sluit en de school of bushalte verdwijnt. Die ervaringen kunnen juist de voedingsbodem vormen voor verdere maatschappelijke spanningen. Als de overheid ergens vaderlijke zorg wil tonen, laat het dan juist zijn door deze ontwikkelingen, zoals Fortuyn het noemde, niet meer ‘op een blinde, ongestuurde manier’ te laten verlopen.

Als de landelijke overheid de verwezing serieus wil tegengaan, zal het streven moeten zijn om op nationaal niveau burgers minder aan het infuus te houden en in ieder geval stevig te werken aan de voorzieningen op lokaal niveau. Het eerste zal niet makkelijk zijn nu de patiënt al zo lang aan het infuus ligt. Maar zou bijvoorbeeld een nationaal carpooloffensief niet voor de hand liggen naast een accijnspolitiek die de individuele autorace faciliteert en verstopping op de weg bevordert? Het tweede heeft meer urgentie. Er lijkt voorzichtig een beweging op gang te komen die de gemeenschap meer stem geeft, bijvoorbeeld als het gaat om fusie van gemeenten. Is het normaal dat de lokale democratie mag overgaan tot opheffing van een gemeenschap zonder te weten wat de gemeenschap hier zelf van vindt? Ook bij sluiting van een school verdient de gemeenschap meer stem en steun om bijvoorbeeld te kiezen voor een overname. Naast het voorkomen van verslechtering is echter ook actieve versterking nodig van de echte wereld waar echte mensen leven en om hun behoeften meer serieus te nemen. 

We kunnen trouwens ook hierbij inspiratie putten uit de geschiedenis. Schaepman was voorstander van een meer democratische georiënteerde politiek, die voor de elites van zijn tijd ongemakkelijk kon aanvoelen. Hij steunde de Takkianen in de uitbreiding van het kiesrecht en stond daarmee bijna alleen onder de katholieken. Een vergelijkbare benadering zien we bij Groen van Prinsterer en Kuyper. Groen van Prinsterer was terecht huiverig voor het blindvaren op de volkswil, want die kan grillig zijn en zomaar gemanipuleerd worden door specifieke belangen of de media. Toch vond hij dat het volk drommels goed in staat is een oordeel te vellen over fundamentele vragen die niet allereerst technische kennis vereisen. Denk bijvoorbeeld aan de vraag: moet de Bijbel op de openbare school gelezen worden? In deze democratische geest zou het overheidsbestuur het oor meer te luisteren mogen leggen bij de wens van de gemeenschap.

Beter luisteren naar de gemeenschap kan spannend zijn. Dat hoort er nu eenmaal bij. Goede voorbeelden laten zien dat het ook spanningen kan verminderen. Niet op alle plaatsen leidt bijvoorbeeld de komst van een AZC tot grote protesten, ook niet waar het grote aantallen betreft. Onderdeel van dit proces is het vermogen om beter te leren luisteren en recht te doen aan reële zorgen van burgers. Het rekening houden met identiteit in het asielbeleid is bijvoorbeeld niet meteen racisme, maar kan uitdrukking zijn van verstandig beleid. Pim Fortuyn wees er terecht op dat je de wenselijkheid van meer culturele verschillen door hogere instroom vooral moet vragen aan degenen die er al dagelijks mee te worstelen hebben in de achterstandswijken. De verwoede pogingen van progressieve krachten die met islamogauchistische ijver diversiteit en inclusie tot het uiterste omarmen, zijn gevaarlijke bronnen van vervreemding. Het gevolg is het verder fragmenteren van de samenleving in grimmig gesloten groepjes die verder van elkaar afdrijven. Wie de voordeur van het eigen huis onverschillig openzet voor elke willekeurige vreemde kan tekortschieten in de zorg om de eigen kinderen geborgenheid te bieden. 

Ik kan hier niet uitgebreid ingaan op de rol van grote techbedrijven. Het is goed dat nationale overheden wakker zijn geworden en dat zij in Europa samenwerken om die bedrijven in de tang te krijgen. Laten we daarbij niet in de valkuil trappen dat de staat meteen allerlei digitale controlebevoegdheden krijgt, waardoor burgers van de regen in de drup komen. Laten we er juist naar streven om ouders en andere opvoeders meer instrumenten krijgen om gezamenlijk de funeste gevolgen voor onze sociale leefwereld terug te dringen.

Tot slot, denkend aan Holland: lokale landschapsliefde in ons vaderland
Geografie doet ertoe. Volgens Pim Fortuyn droeg de fiets als ‘voertuig van het volk’ in belangrijke mate bij aan emancipatie en individualisering; de bijl aan de wortel van de verzuiling was de fiets. Van de fiets zijn we inmiddels in het tijdperk van de auto en het vliegtuig terechtgekomen, wellicht met exponentiele effecten voor de gemeenschap. Misschien is in onze tijd een omgekeerde beweging nodig voor burgers en politici: van vliegtuig naar fiets of zelfs wandelen om meer besef te krijgen van de werkelijkheid van lokale gemeenschappen. Het rondhoppen over de aardbol vermindert namelijk het besef waar gemeenschappen beginnen en hoe ze blijven voortbestaan. Het ontbreken van dat besef is een groot risico voor de nationale politiek. Mijn vrouw en ik wandelen graag lange afstandspaden. Met wandelingen zoals het Pieterpad kom je erachter wat er allemaal leeft in dorpen en gehuchten en wat tijd en afstand betekenen. De politiek kan een zekere traagheid gebruiken. De politiek moet leren dat gemeenschappen geen tekentafelcreatie zijn, maar draaien om relatie. Je komt onderweg werkelijk in contact met elkaar. Je komt in de buurt van dorpen zoals Tubbergen, de plaats waar Schaepman geboren werd. Je ziet hoe ons landschap is getekend, en soms misvormd, door de inspanning van vorige generaties. Zelfs ‘de brede rivieren die traag door oneindig laagland gaan’, zijn door mensenhand behoorlijk rechtgetrokken. Je kunt in het landschap daarnaast zeker ook niet heen om de kerktorens, protestants en katholiek, als oriëntatiepunten die Google maps bij het wandelen overbodig maken. Het zijn de richtingwijzers van onze cultuur. Als giganten zoals Google onze goden worden, reizen we niet in geruststellende richting. Kerktorens zijn waarschuwende signalen dat in ons land geen platte cultuur mag heersen. We zijn gebaat bij gezonde liefde en zorg voor onze nationale cultuur en geschiedenis. Ze kunnen gemeenschappen de noodzakelijke geborgenheid bieden bij allerlei mondiale dreigingen en zorgen, zonder nieuwkomers uit te sluiten. Het is een liefde die zich uitstrekt naar de ander, maar die niet grenzeloos is. Het is een zorg die grenzen trekt zonder de andere als vijand te zien. Het is een politiek die fundamentele, eeuwenoude rechten en praktijken beschermt, in de geest van Schaepman en anderen.

© SGP 2025 | Fotograaf: Hanno de Vries
Auteur: André Flach

Christelijk Nieuws
ChristelijkNieuws.nl maakt gebruik van cookies