Column – In de afgelopen dagen heeft de geschiedenis uit 2 Koningen 5 mij regelmatig beziggehouden. Je weet wel, de geschiedenis van de melaatse Naäman.
Mirjam
Maar eigenlijk cirkelden mijn gedachten niet zo zeer rond de persoon van Naäman en zijn ziekte, maar om dat kleine meisje uit Israël. Ik ben begonnen met het schrijven van deze column omdat ik zojuist over haar wat heb zitten mijmeren. En zij begint voor mij meer en meer te schitteren. Voor deze column heeft zij van mij de naam Mirjam gekregen.
De geschiedenis begint als volgt; “Naäman, de bevelhebber van het leger van de koning van Syrië, was een aanzienlijk man in de ogen van zijn heer en van hoog aanzien, want door hem had de Heere de Syriërs verlossing gegeven. Deze man was een strijdbare held, maar hij was melaats. En er waren benden uit Syrië getrokken, die een klein meisje uit het land Israël als gevangene weggevoerd hadden. Zij was in dienst van de vrouw van Naäman.”
Mirjam, ontvoerd, weggehaald bij haar ouders (misschien zijn haar ouders door de bendeleden wel gedood, zoals de rebellengroep Boka haram heden ten dage doet), weet van de ziekte van Naäman. Ze is met hem begaan en vanuit die bewogenheid begint zij over hem te spreken met de vrouw van Naäman. Kennelijk heeft zij vanuit haar geloofsopvoeding gehoord over de God van Israél en van Zijn profeet. Het zijn maar een paar woorden die we daarover lezen: “ Zij zei tegen haar meesteres: Och, was mijn heer maar bij de profeet die in Samaria is; dan zou die zijn melaatsheid bij hem wegnemen.”(2 Koningen 5:3).
De woorden van Naäman
Later in de geschiedenis vinden we wat uitspraken van Naäman. Nadat hij van zijn melaatsheid was genezen zegt hij tegen Elisa: Zie toch, nu weet ik dat er op de hele aarde geen God is dan in Israël.”(2 Koningen 5:15). En wat verder: “Naäman zei daarop: Zo niet, laat dan toch aan uw dienaar een last aarde gegeven worden, zoveel als een span muildieren dragen kan, want uw dienaar zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden, dan alleen aan de Heere. In deze zaak moge de Heere uw dienaar vergeven; Wanneer mijn heer het huis van Rimmon zal binnengaan om zich daar neer te buigen, en hij op mijn hand zal leunen, moet ik mij in het huis van Rimmon ook neerbuigen. Als ik mij zo zal neerbuigen in het huis van Rimmon, laat de Heere uw dienaar in deze zaak dan toch vergeven. Toen zei hij (d.i. Elisa. WvL) tegen hem: Ga in vrede.”(2Koningen 5:17-19).
De uitwerking van de woorden de woorden van Mirjam
Hoe wist Naäman over de Heere, de God van Israël? Niet van de koning van Syrië, niet van Gehazi en ook niet van Elisa. Ik ben er vrij zeker van dat hij dit wist omdat Mirjam met hem over de Heere, de God van Israël heeft gesproken. Vers 4 luidt immers: “Toen ging Naäman zijn heer vertellen: Zo en zo heeft het meisje dat uit het land Israël komt, gesproken.” Ik leid hieruit af dat zij rechtstreeks met Naäman heeft gesproken.
Wat een uitwerking geeft de Heere aan het getuigenis van dit kleine meisje! Als ik daar nog wat over nadenk word ik stil.
Onbedoeld heb ik dit jonge meisje de naam Mirjam gegeven. Nu het schrijven van deze column ten einde loopt realiseer ik mij dat er een jong meisje is geweest met de naam Mirjam. Zij redde het leven van haar jongere broertje Mozes door een gesprekje met een prinses. Ik vind dit een mooie overeenkomst. Twee jonge meisjes die allebei een leven hebben gered. De Heere God kan kennelijk ook kinderen gebruiken in Zijn dienst. Iets om nog eens wat verder over na te denken.
Ik sluit af met een vraag. Wie is volgens jou de hoofdpersoon in deze geschiedenis?
Auteur: Willem van Leiden
Beeld: ChristelijkNieuws

